Wat erin zit
- Het algemene differentieel van 300 mA, en per groep van kringen een differentieel van 30 mA, zoals het AREI vraagt voor verlichting en stopcontacten.
- Per kring een automaat met de juiste stroomsterkte: 16 A voor verlichting, 20 A voor stopcontacten, zwaarder voor een kookplaat of warmtepomp.
- De KNX-toestellen op de DIN-rail: de busvoeding, de IP-interface en de actoren die je lichtpunten, screens en verwarming sturen.
- Rijgklemmen met een nummer per kring, en een etiket met dezelfde letter als op het eendraadschema.
Hoe de kast tot stand komt
De indeling komt uit je plan. De planner telt je punten, verdeelt ze over kringen, kiest de beveiligingen en de actoren, en legt de modules op de rijen. Je ziet de kast in de planner voor ze gebouwd wordt, met elke module op zijn plaats. Wij bouwen ze dan precies zo.
Aansluiten
Elke kabel die jij trekt, hoort bij een kring met een letter. In de kast vind je die letter terug op een groep klemmen: fase, nul en aarde, genummerd. De kabellijst in de planner zegt per kabel waar ze naartoe gaat en op welke klemmen ze komt. De buskabels van je drukknoppen en melders komen op eigen klemmen.
Zo kun je kabels al aansluiten terwijl je nog aan het trekken bent, en vinkt de planner mee af wat klaar is.
Wat de keurder ziet
Een kast die klopt met het eendraadschema: dezelfde letters, dezelfde automaten, dezelfde differentiëlen. Dat is precies wat de keuring vraagt, en de reden waarom een voorbekabelde kast het risico op opmerkingen klein houdt.